HomeNieuwsBoekenSchrijversCatalogiPersColumnsLinksContact
 

Twitter Facebook


L.J. Veen E-books
De muur
L.J. Veen Klassiek

 
Fragment
Paul Teunissen

Fragment uit Extreme overlast van Paul Teunissen

 

MOOIE SPULLEN

 

‘Je mag wel binnenkomen, als je maar niet zegt dat het een troep is, want dat weet ik zelf ook wel.’ Frits gaat me voor over een smal pad naar de woonkamer. De drie kamers die we passeren liggen tot aan het plafond toe vol met spullen: stereoapparatuur, schotelantennes, een breimachine. In de woonkamer is een paar vierkante meter ruimte. ‘Je hebt geluk,’ zegt Frits. ‘Omdat jij kwam heb ik de boel opgeruimd.’

 

Tegen de wanden staan honderden videobanden. En dozen en tijdschriften. Alles wekt de indruk door een evenwichtskunstenaar te zijn opgestapeld. Zijn keuken oogt, alsof er een levensmiddelenlawine is binnengedrongen. ‘Zelfs een olifant kan hier zoek raken,’ zegt hij, ‘maar ik ben heel schoon. Wil je cola? De fles zit nog dicht.’

 

Frits koopt graag spullen. Te graag. Of hij vindt ze op straat. De eerste twee huisbezoeken hebben we samen een tiental apparaten van een sticker voorzien, met de afspraak dat Frits deze bij de straat zou zetten. De eerste keer is het hem gelukt. Frits had van de GGD te horen had gekregen dat zijn woning zou worden ontruimd, als hij er niets aan zou doen.

 

De tweede keer won zijn verzameldrift het van deze angst, en heeft hij de spullen later die avond weer binnengehaald. ‘Maar ik scharrel niet meer langs het grofvuil. Al krijg ik pijn in mijn buik als ik iets goeds zie staan. Iemand van mijn leeftijd moet een boot hebben, een auto, een huis vol mooie spullen, en wat heb ik nou?’

 

Hij is net vijfenzestig geworden. ‘Het klinkt gek. Ik kijk nooit in de spiegel, want dan schrik ik me kapot. Vroeger was ik een mooie jongen, floten de meisjes naar me, en de jongens trouwens ook.’ Hij toont me jeugdfoto’s waarop een frêle jongen naar de camera lonkt. ‘Dat was op het internaat. Mijn vader stuurde me erheen, omdat hij vond dat ik me te vrouwelijk gedroeg.’

 

Frits is een jongensachtige man. Wanneer ik met hem door de stad fiets, slingert hij provocerend voor automobilisten en jaagt hij vrouwen de stuipen op het lijf met zijn piepende remmen. We zijn op weg naar zijn bank aan het Museumplein, voor kopieën van bankafschriften.

 

‘Wil je koffie? Of liever chocomel of soep,’ vraagt hij binnen.  Ik bedank ervoor. ‘Toe nou, het is gratis.’

 

‘Dit is mijn maatschappelijk werker,’ zegt hij tegen de medewerkster. ‘We willen kopieën van mijn bankafschriften.’

 

‘Alweer?’ Zegt de vrouw.

 

Als gemeenteambtenaar is Frits twintig jaar geleden door zijn baas in de ziektewet gezet. ‘Ik had van alles kunnen worden. Ik kon goed leren, goed zingen, piano spelen, maar ik heb nooit doorgezet.’

 

Naast de zitbank in zijn woonkamer staat een professionele karaokeset. ‘Vroeger trad ik op, deed mee aan talentenjachten. Ik zong liedjes die mensen in hun hart raken. Ik was altijd favoriet bij het publiek, maar die vent die Franks Sinatra imiteerde ging altijd met de eerste prijs naar huis.’

 

De kopieën van de bankafschriften heeft Frits nodig om een persoonlijk faillissement aan te vragen. ‘Door die schulden ben ik te depressief om nog te zingen.’

 

De laatste tijd is hij is heel wat schuldhulpbureaus langs geweest. Én joodsmaatschappelijk werk, en de gemeentelijke kredietbank. Ze willen hem allemaal in inkomensbeheer hebben. Ik ook. ‘Maar inkomensbeheer, dat is de kanker in je leven,’ zegt Frits met gepijnigde grimas. ‘Ze nemen al je geld en geven je een miezerige veertig euro per week om van te leven. Ik ben altijd de schlemiel. Iedereen heeft het recht om één keer in zijn leven schuldvrij te worden gemaakt, maar mij is het nooit gelukt.’ Frits wil na een leven lang pech nu wel eens een mazzeltje.

 

Een jaar geleden is hij afgesloten van energie. ‘Onterecht,’ meent hij. ‘Nuon heeft me altijd te veel gerekend. Ik krijg nog geld van ze.’ Een kennis heeft wat kabeltjes verlegd, zodat Frits toch elektriciteit heeft. ‘Een mens kan toch niet leven zonder stroom. Ik wil heus wel betalen. Ik ben een eerlijk mens. Kijk.’ Hij laat papiervellen zien, waarop hij nauwkeurig de meterstanden bijhoudt.

 

Via internet probeert Frits zijn spullen aan de man te brengen. Daarnaast onderhoudt hij intensief emailcontact met zijn schuldeisers. Aan de lopende band maakt hij bezwaar of doet hij ze onmogelijke afbetalingsvoorstellen.

 

Ook mailt hij met diverse ministeries. ‘Ik loop met een hele hoop goede ideeën. Bijvoorbeeld hoe je de geluidsoverlast van trams kunt beperken. Maar ze willen er geen geld voor geven, dus dan kunnen ze ernaar fluiten.’

 

Zijn vriend Adrie komt langs om te internetten. Hij is degene die Frits heeft aangeraden om zich door de rechter failliet te laten verklaren. ‘Over een maand of wat ben ik van al mijn schulden verlost,’ reageert Adrie enthousiast.

 

‘Kijk hem nou. Hij heeft een schuld van twintigduizend euro en hij zit erbij te lachen,’ zegt Frits. ‘En hij is vakantieverslaafd. Zodra hij zijn uitkering krijgt gestort, boekt ie en ticket.’

 

Frits is geïrriteerd. Op advies van zijn vriend Adrie is hij naar zijn huisarts gegaan, voor een verwijzing naar een psychiater.

 

‘Volgens mijn advocaat helpt dat in de rechtszaak,’ zegt Adrie.

 

‘Mijn huisarts heeft me helemaal onderzocht,’ zegt Frits. ‘Volgens hem ben ik lichamelijk kerngezond. Hij zegt dat ik buiten de gezondheidswet leef, omdat ik bijna niet slaap en ook nooit groente of fruit eet.’ Hij lacht. ‘De eerste jaren van je leven is je voeding het belangrijkst. Toen hebben ze me goed volgestopt. Daarom kan ik nu af met koffie en brood.’

 

Waarom voelt hij zich niet goed dan? ‘Ik ben niet lichamelijk ziek. Ik ben ziek van ellende.’

 

Ik vraag hem of hij nog wel eens een leuke dag heeft. ‘Soms als ik slaap en over mijn ouders droom. Dat geeft me een warm gevoel. Maar zelfs dat is me niet meer gegund, omdat ik bijna niet meer slaap.’ 

 

Vlak onder het plafond Op een hangen drie zwart-wit portretten van zijn ouders. ‘Van mijn eerste moeder en mijn tweede moeder. Het waren allebei lieve mensen. Mijn eerste moeder heb ik voor het laatst gezien toen ik haar uitzwaaide. Ze stak de straat over en moest bevallen in het ziekenhuis, maar ze is nooit terug gekomen.’ Frits was toen vier jaar.

  

Via zijn huisarts kreeg Frits een verwijzing voor de psychiater. ‘Nou, dat heb ik geweten,’ vervolgt hij. ‘IQ-testen, onderzoeken, de hele rataplan. Ik word gek van al die vragen. Ze praten je gewoon depressief.’ Sindsdien slaapt hij nog slechter. ‘Dit is geen leven zo. Ik durf mezelf niet van kant te maken. Ik ben bang voor de pijn, maar als ik aan zo’n euthanasiepil kon komen, zou ik hem zo slikken. Dan ben ik tenminste van mijn zorgen af.’ Frits wrijft over zijn voorhoofd. ‘Ik wou me eerst laten cremeren, maar ik heb mijn moeder moeten beloven dat ik me laat begraven. Gek he, terwijl ik het eigenlijk niet wil. Ik kan geen nee zeggen. Nooit gekund. Ik geef zelfs mijn boodschappen weg als mensen erom vragen, terwijl ik dan zonder eten zit.’

 

Even later fietst voor me uit naar de stad. Wild zwaaiend met zijn armen, als een jongen.