Arnon Grunberg, 'De traditie van het huichelen'
Achteraf was het een naïeve gedachte om te denken dat uitgerekend de hoer niet in God gelooft. Waarom zouden de verkoop van het eigen lichaam en de behoefte aan een opperwezen elkaar uitsluiten? Men kan alles doen én laten, en tegelijkertijd beweren in God te geloven. Het geloof in een opperwezen sluit niets uit. Je kunt jezelf katholiek noemen en je dagelijks laten nemen door tien verschillende heren in een darkroom. Je kunt jezelf joods noemen en wekelijks genieten van garnalen, oesters en Italiaanse ham. Je kunt islamiet zijn zonder ooit de Koran open te slaan. Ik geef toe dat ik ook wel eens een vegetariër heb ontmoet die beweerde af en toe vlees te eten. Het geloof dat tot niets verplicht, blijft niet beperkt tot het opperwezen.
Bovendien drong de tijd
Het is onmogelijk vast te stellen of de bewering dat iemand gelovig is, op een leugen berust. Met een daad die geverifieerd kan worden, heeft het geloof niets (meer) te maken. Het is niet noodzakelijk dat de gelovige een kerk bezoekt, een heilig boek openslaat, een kaarsje brandt, een bedelaar wat brood toewerpt of welk ritueel men verder ook kan bedenken dat religie vorm en inhoud geeft.
Na mijn vraag ‘Geloof je in God?’ duurde het meestal niet meer lang of wij kleedden ons uit, want geloof lijkt een gevoel en over gevoelens een interessante conversatie voeren is lastig.
Bovendien drong de tijd.
De kritische lezer zal opmerken dat de prostituee uit hoofde van haar functie wel moest liegen. Dat is tot op zekere hoogte waar, maar het doet er niet toe. Wij kunnen achteraf vaststellen dat Patricia in werkelijkheid Anja heette, en dat Tanja niet vijfentwintig maar vijfenveertig was, maar wanneer het gaat om hun geloof in God, heb ik geen andere keus dan de hoeren op hun woord te geloven.
Zij geloofden echt, de een misschien iets vuriger dan de ander. Althans, zij wilden dat ik geloofde dat zij geloofden. En is dat niet de kwintessens? Je geloof is een merkteken. Wat heb je aan geloof als je het volledig geheimhoudt?
Zij die van de uiterlijke merktekens afzien – klederdracht, hoofdbedekking, baarden, kettingen et cetera – hebben een andere manier nodig om aan te geven dat ze tot de club behoren.
Ze praten erover, ze schrijven erover, ze twijfelen in het openbaar, want in sommige clubhuizen maakt twijfel integraal deel uit van de religie.
Men zou kunnen zeggen dat het atheïsme ook een club is.
Wellicht, zij het dan zeker geen exclusieve. Maar wie zich schaart onder de gelovigen, schaart zich ook onder de goeden.
De gedachte dat zonder geloof alles mogelijk en toegestaan is
– een minder onzinnige gedachte dan velen denken –, is nooit echt verdwenen. De atheïst laadt de verdenking op zich dat hij uitsluitend voor zichzelf leeft en, anders dan de gelovige, niet bereid is zich voor zijn ‘slechte daden’ te schamen, of op zijn minst te veinzen dat hij zich daarvoor schaamt.
Een hoer plaatst zich half of heel buiten de maatschappij. Al zijn er in sommige landen vakbonden voor prostituees, en wordt de hoer geacht daar net als de terreinknecht, de bankier en de rabbi belasting te betalen, zij weet, belasting of geen belasting, dat zij iets beschamends doet. Als niet in haar eigen ogen, dan toch in de ogen van anderen. Dit besef verlaat haar nooit. De klant weet het ook. Dit besef verlaat hem nooit.
Merkwaardig genoeg is het juist de beschamende kant ervan die de operatie zo aantrekkelijk maakt, zeker voor de klant, een enkele keer ook voor de prostituee. Wij spreken hier niet over de heilige seks van het huwelijk, maar de vleselijke eenwording die weinig ruimte laat voor mystieke bijgedachten. Hier is geen wonder te vinden, hooguit geld. Het lichaam is lichaam, en wat vlees wordt, is niet woord maar bankbiljet.
Er zit iets verleidelijks aan het overschrijden van de wet. De wet is niet voor niets wet. Hij verbiedt alleen dat waar mensen zin in hebben. De zekerheid dat men de wet overschrijdt, maakt het allemaal nog aantrekkelijker.
Maar de mens heeft ook nog de onbedwingbare neiging zijn daden te verklaren en indien nodig van een excuus te voorzien.
Hij wil de wet wel overschrijden maar achteraf snel uitleggen dat hij de wet niet echt heeft overschreden, dat de wet het in dit specifieke geval mis heeft, dat hij wel gedwongen was de wet te overtreden. Het is tegennatuurlijk jezelf als slecht te zien. Men wil ongeacht zijn daden, ongeacht de situatie waarin men zich bevindt, toch steeds weer als goed, of op zijn minst als niet zo heel erg slecht worden herkend.
Er zit een diepe, onuitroeibare drang in de mens om voor het oog van de ander onschuldig te zijn.
Wie ‘ja’ zegt op de vraag ‘Geloof je in God?’, bevestigt daarmee niet helemaal buiten de maatschappij te staan. Of slechts parttime buiten de maatschappij te staan. Hij geeft aan in wezen goed te zijn. Hij bevestigt zijn onschuld.
Geloof is een sociale conventie en dient als zodanig bekeken en bestudeerd te worden. Anders dan enkele revolutionairen en anarchisten ben ik niet a priori tegen conventies, en ik geloof dat ook niet alle conventies schadelijk zijn.
Niet getroost
De kritische lezer zal nu wellicht zeggen: ‘Foei, gevoelloze man.
Uit mijn ogen, beest zonder emoties. De hoer gelooft niet in
God vanwege conventies, maar omdat zij meer nog dan de atheïstische ambtenaar en de lichtgelovige tuinman behoefte heeft aan troost. God troost haar terwijl viespeuken zoals jij bij haar binnendringen.’
Ja, wellicht troost God haar. Maar dat de hoer meer behoefte zou moeten hebben aan troost dan een ambtenaar of tuinman is toch wel een paternalistische gedachte. Afgezien daarvan betwijfel ik of troost de kern van het geloof is.
Als één persoon verlost wordt van zijn doodsangst dankzij religie, heeft het geloof al zijn bestaansrecht bewezen. Daar is niets tegen in te brengen. Ik buig mijn hoofd voor de religie die één individu van de doodsangst heeft bevrijd, maar ik buig mijn hoofd relatief makkelijk. Ook in twijfelgevallen doe ik het. Wat kost het nou helemaal om je hoofd te buigen?
Als mijn romans mij in economische zin in leven houden en mij in de religieuze zin van het woord bestaansrecht geven, hebben die boeken ook al zin gehad.
Ieder vindt een andere illusie om zijn waardigheid aan te ontlenen.
Sommigen spreken over de geestverruimende kwaliteiten van lsd, anderen over de troost van God. Over beide zaken kan ik niet meespreken. Lsd heb ik nog nooit geprobeerd, en
God heeft mij niet getroost. Omdat ik mij niet heb opengesteld voor Zijn troost, zullen sommige mensen zeggen. Of omdat, om redenen die wij niet kunnen begrijpen, God het verdomt om mij te troosten. Hoe dan ook reken ik niet meer op Zijn troost, en als die al zou komen, zou ik hem hooghartig afwijzen met de woorden: ‘Te weinig en te laat.’
Verder heb ik weinig behoefte iemand of iets te danken voor allerlei zaken. Ik heb niet gevraagd om dit leven, dus waarom zou ik mij dankbaar moeten tonen voor de versierselen die eraan vastzitten? Ik accepteer de verantwoordelijkheid die aan dit ongevraagde leven kleeft, maar tussen dankbaarheid en het accepteren van verantwoordelijkheid zit toch een klein verschil.
Ik heb niets te geven. Daarom wil ik niets ontvangen waarvoor ik niet op de een of andere manier heb betaald.
Dankbaarheid an sich ken ik overigens wel degelijk. Ik ben de hoer dankbaar voor haar massage en troost, daarom stuur ik haar met een royale fooi naar huis.
Wie weet met hoeveel moeite en zweet het geld is verdiend, kan in het bankbiljet geen leegte zien.
Om misverstanden te voorkomen: ook ik ben dankbaar voor genegenheid. Al lukt het me niet te vergeten welke valkuilen zich kunnen openen voor degene die de genegenheid kosteloos in ontvangst neemt.
Over God als trooster kan ik met andere woorden alleen respectvol zwijgen, al moet ik bekennen soms ook te giechelen bij de gedachte aan de grote trooster.
Ik heb gesproken over de hoer als trooster maar ook over haar heb ik de laatste tijd respectvol gezwegen.
Ik kan de mystieke ervaring van anderen niet in, en dat is maar goed ook. De mystieke ervaring is geen prostituee.
God is de wet. Wie niet over God spreekt als over de wet, heeft het feitelijk over iets anders. God als trooster, God als liefde, God als masseur van de geknakte ziel, het zijn allemaal woorden voor hetzelfde: God als buitenaardse massagesalon.
Van een dergelijke massagesalon ben ik niet gediend, zolang er op aarde nog deugdelijke massagesalons te vinden zijn.
De wet is uiteraard (ook) een sociale conventie. De wet troost niet, een rare wet zou dat zijn. De wet strekt zijn handen niet naar je uit en de wet zelf kan ook niet straffen.
Straf, troost en zachte handen zijn middelen om ervoor te zorgen dat de leden van de gemeenschap zich aan de wet houden.
Het probleem is namelijk dat het nogal eens onduidelijk is waarom je je aan de wet moet houden. Waarom jezelf in vredesnaam opofferingen getroosten? Waarom jezelf geneugten ontzeggen?
Waarom plezier mislopen? Voor wat? Voor wie?
Er zijn twee antwoorden. Voor de gelovigen luidt het antwoord:
God. Voor de ongelovigen luidt het antwoord: moraal.
De seculiere moraal
De wet reguleert de mens. God die de wet is, reguleert de mens.
Was er slechts één persoon op aarde, was er geen God nodig.
De seculiere moraal is, zoals al aangegeven, feitelijk de wet zonder God. De seculiere moraal beoogt – min of meer – het- zelfde als God: het menselijk verkeer in goede banen leiden, ervoor zorgen dat de mens zich een beetje inhoudt. De seculiere moraal straft in het heden – gevangenis, doodstraf, soms ook lijfstraf.
God beloont en straft veelal na de dood. Maar Hij heeft er ook weinig problemen mee de ondeugende mens nog tijdens zijn leven te straffen.
God is een instrument. Je kunt Hem ook een argument noemen, om de mens te conditioneren. Aanvaarding van het geloof is overgave aan de conditionering. Zoals wie tekent voor het leger, zich overgeeft aan de wetten en regels die daar gelden.
Als er niet zoiets zou bestaan als eigendom, zou God minder of niet nodig zijn. Maar de mens kent nu eenmaal allerlei soorten van eigendom: een huis, een fiets, een vrouw, een man, ook
kinderen kunnen als eigendom van de ouders worden aangemerkt.
En een maatschappij waarin mensen voortdurend vrezen dat hun eigendom wordt afgepakt, functioneert niet.
God zorgt ervoor dat mensen die niets hebben zich koest houden, omdat hun beloning na de dood komt, of omdat ze aalmoezen krijgen toegeworpen. En mensen die veel hebben
wordt afgeraden om daarmee te koop te lopen, om de mensen die niets hebben niet de ogen uit te steken.
Zie ook hoe hier de seculiere moraal samenvalt met de Goddelijke
Wet. Religie en seculiere moraal zijn pogingen tot een beschavingsproces.
Het is niet nuttig te klagen over hypocrisie. Zonder hypocrisie geen beschaving. Het is beter dat iemand huichelachtig beleefd is, dan dat iemand er oprecht op los slaat.
Waar de wet van de sterksten geldt, heeft men ook geen God nodig.
Maar de wet van de sterksten geldt.
Alleen als de sterkeren voortdurend zouden moeten bewijzen dat zij de sterkeren zijn, zou er weinig meer geproduceerd worden.
God is net als de seculiere moraal een oproep aan de burgers om de regels van het spel te aanvaarden. En aan hen die de regels van het spel niet aanvaarden omdat ze daarvoor machtig genoeg zijn, een oproep om dat stiekem te doen.
God staat altijd aan de kant van de sterkeren, juist ook door te veinzen dat Hij de zwakkeren beschermt. De wet is buigzaam.
Wee het land waar de bordelen vol zitten, maar de kerken kunnen volstaan met twee houten banken. Dit is een land in verval.
Wee het land waar de bordelen leeg zijn en waar de kerken vol zitten. Dit is een land waar hongersnood heerst.
Een gelukkig land heeft volle gebedshuizen en volle bordelen.
Het is komisch, want absurd, over een gelovig mens te zeggen dat hij huichelt.
God wil dat wij huichelen.
Zou je van iemand die voor een rood stoplicht stilstaat, kunnen zeggen dat hij huichelt? Zou je van hem kunnen zeggen dat hij huichelt als hij blijft staan voor het rode licht, terwijl hij ziet dat er geen verkeer aankomt?
Iemand die niet huichelt maar oprecht gelooft, zo iemand beklagenswaardig noemen is allerminst absurd.
De wet vraagt niet om geloof maar om gehoorzaamheid. Aan wie precies gehoorzaamt hij die beweert God te gehoorzamen?
Beschaafd genoeg
Ik ben geboren in 1971. Ik ben religieus opgevoed. Elke zaterdag ging ik naar de synagoge, wij aten koosjer. Op zondag- en woensdagavond ging ik naar de misjnaschool. Op zondagochtend had ik eveneens joodse les en op dinsdagmiddag leerde ik
Hebreeuws. Bovendien speelde ik tennis en deed ik pogingen
blokfluit te spelen. Ik kan niet zeggen dat ik aan de misjnaschool een grotere hekel had dan aan blokfluit- of tennisles. Het voordeel was dat mijn moeder tijdens de misjnaschool niet naast mij zat – vrouwen mochten daar niet bij zijn – en dat ze wel bleef kijken hoe ik tenniste.
Vanaf mijn vijftiende ging ik steeds minder vaak naar de synagoge tot ik er op een gegeven moment helemaal mee stopte.
Ook met tennis en blokfluit ben ik gestopt.
Of ik in de jaren tijdens synagogebezoek en blokfluitles meer in God geloofde dan in het tennisracket of de blokfluit, kan ik niet met zekerheid zeggen. Hoewel ik God beslist een interessanter concept vond dan de blokfluit en het tennisracket. Ik heb ook op enkele momenten tot God gebeden, zoals iedereen, in tijden van tegenspoed. Ik zou het nu niet meer doen, maar mocht ik in een neerstortend vliegtuig zitten, en dan de woorden
‘God, help me’ prevelen of iets wat daarop lijkt, zou ik me daar niet bovenmatig voor schamen.
Ondanks of dankzij mijn opvoeding heb ik geen bezwaren tegen religie. Ik begrijp dat religie religieuzen tot wandaden kan aansporen, maar ik weet ook dat religie een beschavingsmachine is.
De vraag of ik religieus ben, zou ik als volgt kunnen beantwoorden: nee, ik hoef mij niet aan de beschavingsmachine te onderwerpen, ik ben beschaafd genoeg op eigen kracht.
De neiging bestaat om God te verbinden met alledaagse zaken als het vriendelijk glimlachen naar mensen in een bus, of het volledig overdonderd zijn door een pianoconcert van Beethoven.
Zelden hoor je dat mensen zo overdonderd zijn door
‘Dancing Queen’ van Abba, dat ze menen dat God zich in de schoonheid van de muziek openbaart. Maar als God zich al in muziek openbaart, dan toch ook zeker in die van Abba. Ik ben, om misverstanden te voorkomen, geen grote Abbafan, maar ik vind de muziek van Abba wel bijzonder bezield.
Ik heb geen enkel bezwaar tegen het monsterverbond tussen schoonheid en God, al zie ik niet in wat de wet met individuele schoonheidsbeleving te maken heeft.
Soms betreur ik het dat zo veel mensen geloven, maar dat er maar zo weinig mensen in mij geloven.
Misschien heb ik te weinig wonderen verricht om als God of zoon van God te worden aangezien. Ik ben niet opofferingsgezind genoeg om als heilig door het leven te gaan.
Aan mijn lengte of mijn postuur zal het niet liggen.
Het lijkt me aardig nog eens door een stel volgelingen te worden aanbeden als God of een god. Ik ben me bewust van de gevaren die daaraan kleven. Liefde kan snel omslaan in haat, zeker als het gaat om de liefde van een groep.
Het is maar goed dat God weigert de gedaante van een mens aan te nemen. Kijk wat ze met Zijn zoon hebben gedaan.
De wet moet woord blijven.
Tot ik erbij neerval
Veel morele dogma’s komen mij als absurd en schadelijk voor, juist omdat ze zich verwijderen van de wet, die precies en zakelijk dient te zijn, en die vooral niets moet gebieden waaraan burgers zich niet kunnen houden.
Ik begrijp niet waarom je je naaste lief moet hebben als jezelf, terwijl het duidelijk is dat die naaste je concurrent is, die binnen de grenzen van de wet onschadelijk moet worden gemaakt.
Misschien is liefde een manier om de concurrent onschadelijk te maken, maar zeg dat dan erbij.
Heb je naaste niet lief, maar laat je naaste in leven. Of nog beter, maak je naaste het leven niet zo zuur dat hij aan zijn wonden bezwijkt. Een beetje zuur moet afdoende zijn.
De mens is een egoïstisch wezen dat zijn eigen overleven centraal stelt. Van hem iets anders verwachten is onzinnig, en het is krankzinnig te denken dat de wereld beter zou worden wanneer iedereen ophoudt zijn eigen overleven centraal te stellen.
Niets lijkt mij gezonder voor de mens dan een reële verwachting van zichzelf te creëren. Noem het voor mijn part: vrede sluiten met het noodzakelijk kwaad.
Ik heb hier steeds gesproken over de mens die wil overleven. Ik weet dat er situaties bestaan, waarin mensen hun eigen overleven niet het belangrijkste vinden.
Het begrip ‘heldendom’ is een van de meest valse en misbruikte begrippen uit de geschiedenis, maar er bestaat wel degelijk zoiets als heldendom.
Ik ontken dat niet, en zoals ik de behoefte aan God begrijp, begrijp ik ook de behoefte aan heldendom en helden.
Het mysterie is slechts gebrek aan kennis, maar distantie en scepsis als antwoord op het onoverkomelijke menselijke lijden zijn niet altijd afdoende.
Een zekere immuniteit en afgestomptheid zijn waarschijnlijk krachtige antwoorden op dit lijden.
Er blijft altijd behoefte aan een beter antwoord.
Maar de afwijzing van hysterie maakt deel uit van de beschaving.
De mens is niet machteloos tegenover de wet, want de wet kent mazen.
Het gaat erom de wet te bestuderen om de mazen te leren kennen. Het is zaak de wet beter te kennen dan anderen, want de mazen zijn nauw als het oog van een naald. Er passen niet veel mensen door.
Met de wet kan ook onderhandeld worden, want de wet is voor velerlei uitleg vatbaar.
De traditie van religie is de traditie van het huichelen.
Een grote, prachtige, spitsvondige en soms ook licht misdadige traditie is dat.
Waar het huichelen ophoudt, begint het fanatisme. Al bestaan er zeker ook fanatiekelingen die vakkundig huichelen.
De hoeren en de geldwisselaars moeten de tempels maar weer snel verontreinigen.
Hoe dan ook, welk antwoord ik ook geef op de vraag: ‘Geloof je in God?’, ik huichel. Ik huichel tot ik erbij neerval. |