Drie jaar in de Vinex - en een heel boek erover geschreven
Toine Heijmans
Er staan huizen te koop. Een hele rij, fier omhooggekomen uit de bouwput. Ze zijn drie keer zo groot als het huis waarin wij wonen (een bel-etage in de stad). Ze hebben tuinen en gevels van glas, en anders dan bij ons zegt iedereen in deze straat hallo. We kopen het huis, al zijn we er nooit binnengeweest. Het maakt van ons in één klap een vinexgezin.
Dat was nooit de bedoeling geweest.
Vinex was ook voor mij een scheldwoord; het was alles wat je niet wilde zijn. Vinexwijken werden gebouwd voor de middelmaat, dacht ik, voor doorsneevolk. Het leven daar was de tegenpool van het avontuur dat ik nog altijd zocht. Zes uur aan tafel. Rust en regelmaat.
Ik had ze wel gezien hoor, de rijtjes in Ypenburg en Leidsche Rijn. De eenvormigheid was me opgevallen, de roerloosheid, het uitgebreide wagenpark in de uitgekiende parkeervakken en soms, zoals in Rosmalen en in Beverwijk, de kunstmatige poging er ondanks alles iets leuks van te willen maken. Betonnen dozen met een grachtengevel. Een nep-Marker huis met een nephouten dak. Het bleef plastic.
Mijn beeld was dat van de films en van de boeken, van De Noorderlingen (Alex van Warmerdam) en van Nieuwe Buren (Saskia Noort). Het was de ambtenareske planmatigheid alleen al die schuilging achter het woord Vinex: de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra, die voorschreef dat er honderdduizenden huizen bij moesten komen. Nieuwbouwvlekken naast de steden, die de groeiende bevolking als sponzen op moesten zuigen – saaaaai!, gaapte hip architectenvolk. ‘Getto’s van de 21ste eeuw’, schreven de critici.
Mijn eigen IJburg zou, voorspelde een redacteur van NRC Handelsblad, eindigen als ‘een bar oord’, dat ‘vooral de kille, koude stad in Bordewijks novelle Blokken in herinnering roept’. En dan was er nog het bureau Bouwkennis, dat voorspelde dat de nieuwe wijken niet langer dan twintig jaar te leven hadden omdat de huizen er slecht zijn gebouwd. Zelfs de vorige vinexminister (Dekker) had het er wel zo’n beetje mee gehad. Nieuwbouw – dat was iets van mijn ouders, bovendien. Geen sprake van dat je ooit zult worden zoals hen. Maar nu woon ik er zelf. Er middenin.
Ja, we zijn een vinexgezin geworden, met drie kinderen, twee banen, twee auto’s, een bakfiets, een supertophypotheek, een tuin met een zandbak, een Buurman en een Buurvrouw met wie ik over het tuinhek heen de parkeerproblemen van onze buurt bespreek. En ja: het is hier best gezellig.
Wonen in de vinex is geen straf. Het is wennen aan de heimachines, de gronddumpers en de drilboren, maar het leven is er tenminste nog niet af, zoals in de stad, waar alles vooral hetzelfde blijft of minder wordt. Mijn uitzicht is elke dag weer anders, wat het avontuurlijk wonen maakt. Mijn huis is groot, net als de overwaarde ervan; mijn wijk wordt bevolkt door aardige mensen met durf en pioniersgevoel, mijn kinderen groeien op in weelde, te midden van meer vriendjes en vriendinnetjes dan ze zich hadden kunnen wensen. Het is hier pure luxe.
Ik ben trouwens niet de enige die er zo over denkt. Tien jaar bestaat de vinex nu, en langzaam beginnen de vooroordelen te verbleken. Het begon vorig jaar met een ‘morfologische verkenning’ van het Ruimtelijk Planbureau (met de enthousiaste naam Vinex!), die de mythe over de eenvormigheid van de wijken doorprikte: saai was het er in elk geval niet, stelden de onderzoekers vast. Sommige wijken hebben zelfs zo’n eigen gezicht gekregen dat ze in staat zijn eigen dorpen of steden te worden.
De onderzoekers hadden vast The New York Times gelezen, die in januari 2004, de maand dat ik mijn huis kocht, schreef: ‘Leave it to the Dutch to make suburbia cool.’ De verslaggever was naar Ypenburg getrokken en enthousiast teruggekeerd: zoveel architectonische flair had hij niet verwacht in wat een doordeweekse slaapstad zou moeten zijn.
Blader ook eens door het aardige fotoboekje Via Vinex, dat vorig jaar verscheen, en je ziet wat hij bedoelt. Tel de dit jaar verschenen ministeriële evaluatie van tien jaar vinex erbij op (te weinig groen, maar de bewoners zijn tevreden) en het beeld begint al aardig te kantelen. Weekblad Elsevier bracht er kortgeleden een coverstory over, waarin de nieuwbouwwijken als moderne blanke paradijzen worden afgeschilderd: ‘Veiligheid, ruimte, comfort, beschaving, rust.’ Voilà.
Nu goed: een blank paradijs is het niet – daarvoor heeft mijn wijk te veel gebreken. Te weinig speeltuinen, te weinig groen, te weinig scholen, te veel steen. Gemeenten lijken meer oog te hebben voor de economische, planmatige en architectonische aspecten van de vinexwijken dan voor de mensen die er komen wonen. Maar het is wel een plek, heb ik gemerkt, waar de buurt er nog toe doet en een onverwacht dorpsgevoel ontstaat.
Vinexwijken werden bedacht voor moderne stedelingen die aan hun buren geen behoefte zouden hebben. Ze leven efficiënt en op zichzelf en hun auto is de navelstreng naar buiten – waar ook de winkels zijn en het vertier. Klopt niet. Mijn wijk is meer dan een toevallige plek om te wonen, meer dan een vluchtplaats voor jonge gezinnen die ruimte nodig hebben. Er is leven hier. Ook de vinex kan geborgen zijn, vertrouwd, warm, mooi en dichtbij – al is dat moeilijk te geloven en geeft de strakke architectuur er geen aanleiding toe.
In mijn oude straat, een mooie, voltooide jarentwintigstraat in Amsterdam-Zuid, kende ik vier mensen. Ik woonde er acht jaar. In mijn nieuwe straat ken ik er veel meer. Mijn buren zijn me lief. Van mijn huis naar het nagelnieuwe winkelcentrum is het tien minuten lopen, maar onderweg kom ik zo veel wijkbewoners tegen dat het een sociale expeditie wordt van een uur, of meer. Misschien komt het doordat ik bij de eerste duizend bewoners hoor en me daardoor meer verbonden voel met mijn wijk. Maar ik vermoed ook dat het in de grond zit. Dat het een vinexvirus is dat de buurtbewoners verbindt met hun wijk – niet alleen omdat ze allemaal nieuw zijn, maar ook omdat er nog wat van te maken valt hier. Omdat het nog lang niet af is, en er ruimte voor dromen overblijft.
Pioniersgevoel is vergankelijk, dat wel. Nu al zie ik de scheuren in mijn wijk, tussen de dure koop en goedkope huur. Ik zie ook wel dat een van de scholen een zwarte is geworden, en dat andere wit zijn gebleven. Ik zie de graffiti en het vandalisme, ik voel de oprukkende onpersoonlijkheid. Mijn wijk wordt een gewone grote stad uiteindelijk, met veertigduizend mensen, maar ergens, hoop ik, zal het pioniersgevoel zich verankeren in het zand.
Mijn wijk is in elk geval populair geworden. De huizen zijn er niet aan te slepen. Eén keer heb ik mensen in slaapzakken gezien bij de makelaar, ’s ochtends om half zeven, en als de bouw van nieuw blok wordt aangekondigd, is het ongenadig druk in de woonwinkels waar nieuwelingen zich in kunnen schrijven voor de verkooploterij.
Zelf had ik me een paar weken geleden voor blok 44 aangemeld, een paar honderd meter bij mijn huis vandaan. Bij het ophalen van de verkoopfolder barstte de woonwinkel uit elkaar van de nieuwbouwstellen met kinderwagens. ‘Doe type E ook maar’, hoorde ik een zwangere vrouw haar vriend vertellen. ‘Het is te klein en zonder tuin, maar dan hebben we in elk geval iets.’
Ik werd zowaar ingeloot voor een huis aan het water, niet eens groter dan het mijne, 480.000 euro zonder bouwrente of extra’s, en moest dezelfde week nog opdraven voor een gesprek met de makelaar. Voor wie niet kon komen, was het jammer – die kwam onder aan de lijst met 179 inschrijvers voor een handvol huizen. We moeten klantonvriendelijk zijn van de projectontwikkelaar, zei de makelaar, want de bouwers willen snel geld zien. Het is een verkopersmarkt geworden, wat in elk geval ook iets goeds zegt over de vinex. Want waarom zouden zo veel mensen zo veel geld willen betalen om hier te wonen als het hier verschrikkelijk was?
Je zou mijn wijk zelfs hip kunnen noemen, nu. Er gaat geen week voorbij of de touringcars rijden over de brug met aan boord toeristen uit Spanje, België of Japan. Mijn huis, mijn bakfiets en mijn kinderen staan veelvuldig op hun foto’s.
De vinex begint te glimmen. En dat is, wat mij betreft, niet onterecht. Hier naast me heb ik tenminste een echte Buurman. Die had ik nog nooit gehad. We kenden elkaar niet, maar vanaf het moment dat ik hem voor het eerst zag, op een ladder, een muur schilderend in zijn nieuwe huis, is hij mijn Buurman. Het is een sterke Buurman, altijd in de weer met steigerhout waarmee hij stellages bouwt in de achtertuin voor de kinderen, of een grote opbergkast. We vissen samen in de sloot achter ons huis, en ’s zomers zetten we twee tenten op de bouwgrond en kamperen er met onze dochters. Het zijn geen grote dingen. Het zijn kleine dingen die de wereld prettig maken. Het zijn kleine dingen die een vinexwijk laten bloeien, ook al blijven ze onzichtbaar voor de schamperende buitenwereld. |