HomeNieuwsBoekenSchrijversCatalogiPersColumnsLinksContact
 

Twitter Facebook


L.J. Veen E-books
De muur
L.J. Veen Klassiek

 
Fragment uit De hemel is een basketbalveld
Erik Brouwer

 

De oude zwarte man ging naast me zitten en we raakten aan de praat. Hij stelde zich voor als Joe Smith en bleek de officieuze voorzitter van de Veertig Plus-sectie, een bonte verzameling zwarte mannen die in de zomer geen straatbasketbalwedstrijd overslaan op Holcombe Rucker-plein, gelegen op 155th Street en 8th Avenue in ‘basketbalhoofdstad van de wereld’ Harlem.

Ik vroeg Smith (73) naar het boek dat hij had meegebracht, hij sloeg het direct open en even later openbaarde er zich een wereld vol gangsters, geweld, schoonheid, drugs en basketbal. ‘Dit is de definitieve geschiedenis van het basketbal in Harlem,’ fluisterde Smith. 'Het is een heel bijzonder boek, met name omdat het is geschreven door een zwarte man die alle mooie en slechte dingen in de hood zelf heeft meegemaakt. Niet alleen als buurtbewoner, maar ook als basketballer.’

Op de achtergrond begon een zeer beladen pleintjesbasketbalwedstrijd en de tribunes waren volgelopen met voornamelijk zwarte toeschouwers, maar het heden interesseerde me allang niet meer toen ik las:

Volwassen mannen adoreerden hem; vrouwen smolten als ze hem zagen; kleine kinderen achtervolgden hem; maffiabazen bogen voor hem. Hij was meer dan een legende, hij was een icoon.

De woorden bleken te gaan over Richard Pee Wee Kirkland, een zwarte man die in de jaren zestig en zeventig schitterde op het Holcombe Rucker-plein, ook wel ‘het Mekka van de basketbalwereld’ genoemd. Ooggetuigen als Joe Smith weten zeker dat hij een van de beste spelverdelers uit de nba had kunnen worden, maar zijn verlangen om buiten het systeem te leven was zo groot dat Pee Wee het basketballen combineerde met een uiterst succesvolle loopbaan als gangsta (zwarte gangster) en de mensen uit het getto noemden hem liefkozend ‘Al Capone met een crossoverdribbel’.

‘Het begon op highschool,’ zei Smith. ‘Pee Wee was toen al een zeer getalenteerde basketballer, maar met de verkoop van heroïne kon veel meer worden verdiend en nadat de grootste zwarte gangster van dat moment, Fat Jack, hem een paar pakketjes had toegestopt, richtte hij zich volledig op een bestaan als dealer. Binnen de kortste keren reed hij in een Cadillac en Pee Wee zette een drugsbende op volgens het model van een maffia-organisatie.’

Harlem werd in de naoorlogse jaren Heroïne-Stad genoemd en Pee Wee groeide uit tot een kingpin (iemand die aan de top van een criminele bende staat) van het niveau Bumpy Johnson, een uiterst gewelddadige zwarte gangster die in de jaren veertig en vijftig heerste in Harlem zoals Al Capone ooit deed in Chicago. Hij verdiende honderduizenden dollars per week met de verkoop van zijn eigen heroïne-merk Pee Wee en vrijwel alle Harlemites gunden hem zijn succes. Dat zijn rijkdom ten koste ging van mensenlevens deed niet ter zake. Pee Wee had het gemaakt zonder te buigen voor Whitey en werk als pooier of drugsdealer gaf aanzienlijk meer status dan een slechtbetaalde slave (baan) in dienst van blanke mensen buiten het getto.

Smith wees naar het Joe Inc. Fund, een betonnen gebouw waar de vele daklozen van Harlem worden geholpen, en zei: ‘Dat was vroeger een school en als Pee Wee speelde, braken we daar in om de wedstrijden vanaf het dak te bekijken. Op de tribunes was toch geen plaats meer en degenen die niet op het dak van de school pasten, klommen in de hekken rond het veld of in de bomen. Het was niet te vergelijken met de wedstrijden van nu. Het kwam bijvoorbeeld vaak voor dat de profs werden weggespeeld door spelers van wie het grote publiek nog nooit had gehoord, zoals Pee Wee, die tijdens het spel nauwlettend in de gaten werd gehouden door minstens drie bodyguards.’

Zijn wedstrijden waren altijd spectaculair en heel Harlem liep uit als hij speelde, vervolgde Smith. Vaak bracht de gangsta boodschappentassen vol geld mee die langs de kant werden gezet. Zijn bodyguards bewaakten de dagopbrengst, terwijl hun baas zijn tegenstanders vernederde. Een-tegen-eenwedstrijden speelde Pee Wee ook en hij nam het geregeld op tegen hustlers met bijnamen als ‘Crazy Fast’ Eddy om tienduizend dollar per keer. Zijn rechterhand Freddie Myers vond dat bedrag niet hoog genoeg en wedde gemiddeld zo’n dertigduizend dollar op de wedstrijden van zijn baas.

Aan geld hadden de zwarte gangsters uit Heroïne-Stad nooit gebrek, dat bleek ook toen de eigenaar van nba-team Chicago Bulls Pee Wee halverwege de jaren zestig een contract aanbood van dertigduizend dollar per jaar. Volgens de overlevering keek de gangsta de teameigenaar minuten aan met een koude blik in de ogen. Vervolgens sprak hij de legendarische woorden: ‘Wil je me nooit meer zo beledigen, baby. In mijn kofferbak ligt meer geld.’

In 1968 deden de Bulls hem een verbeterd aanbod. Dit keer besloot Pee Wee erop in te gaan, maar de machtigste man van Heroïne-Stad kon er niet goed tegen als zijn blanke, armoedig geklede coach aanwijzingen naar hem schreeuwde en niet veel later werkte hij weer fulltime als belangrijkste drugsdealer van Harlem.

Basketbalchroniqueur Shotgun Hines:

Door dit soort verhalen werd hij de grootste mythe van Harlem. Daar kwam nog bij dat Pee Wee een zeer genereuze gangsta was die auto's en juwelen kocht voor zijn werknemers en hij profileerde zich graag als de ‘Robin Hood van de hood’. Kinderen kregen biljetten van honderd dollar in hun handen gestopt en veel buurtbewoners spraken over hem als ‘De bank van Harlem’.

Ik schoot in de lach en Smith lachte met me mee. Daarna vertelde de oude zwarte man over Holcombe Rucker, de Harlemite naar wie het beroemdste pleintje ter wereld is vernoemd.

            Hij was een schoolverlater die tijdens de Tweede Wereldoorlog vocht in een gesegregeerde eenheid van het Amerikaanse leger, maar bij terugkomst in Harlem moest constateren dat de situatie van de zwarte bevolking nog altijd even slecht was. Rucker raakte gedeprimeerd en verbrandde zijn uniform. Vervolgens doolde hij maandenlang door de straten van Harlem, die steeds meer verpauperden.

Het vuil werd zelden meer opgehaald, ratten zo groot als kleine honden renden over de straten, de werkeloosheid steeg tot historische hoogte. Duizenden Harlemites raakten verslaafd aan heroïne en met de opkomst van de drugs veranderde ook de mentaliteit. Beschaafd gedrag werd gezien als square, het tegenovergestelde daarvan als hip. Een echte hipster rebelleerde tegen het systeem door zich niets aan te trekken van de mainstream maatschappij en als je bekend stond als een bad nigger, gaf dat status.

Vechten hoorde er helemaal bij, want een man werd gerespecteerd op basis van zijn rep (reputatie). De bad niggers die iemand hadden vermoord stonden het hoogst in de hiërarchie en niemand leek het moreel bezwaarlijk te vinden bij te klussen als pimp. De pooier was een bad nigger met status in het getto en een pusher (dealer), kon eveneens op grote erkenning rekenen.

Rucker zag de opkomst van deze tegencultuur met afschuw aan en zette een basketbaltoernooi op om de schade zoveel mogelijk te beperken. Hij annexeerde een pleintje op 128th Street om er zijn kantoor van te maken en sleepte al zijn spullen naar een afgebladderd bankje. Een straatlantaarn fungeerde als bureaulamp en veertien uur per dag ontving hij daar jongeren die in de criminaliteit waren beland en/of junkie dreigden te worden.

De eerste wedstrijden vonden plaats in 1946. Er deden vier teams mee en Rucker was zelf de scheidsrechter. Geld voor een fluitje had hij meestal niet, maar bij financiële moeilijkheden kreeg hij hulp van ‘staatentrepeneur’ Johnny ‘20 Grand’ Hunter en Rucker groeide uit tot buurtagent, praatpaal, wijkpsycholoog, studiebegeleider en basketbalcoach in één.

‘Mr. Ruck zou Satan nog op het rechte pad krijgen,’ zeiden de Harlemites in die jaren. In totaal bezorgde hij zo’n duizend jongens met behulp van het basketbal een studiebeurs voor de universiteit, de mensen gingen hem De Engel van Harlem noemen en toen Rucker aan het begin van de jaren vijftig het Rucker-toernooi opzette, werd hij ook een landelijke bekendheid.

De beste basketballers uit Philadelphia, New Jersey, Washington en downtown New York kwamen langs om te spelen tegen lokale gettosterren en halverwege de jaren vijftig werd het niveau steeds hoger. De nba was in die tijd nog vrijwel volledig blank, maar de eerste zwarte profbasketballers speelden in de zomer altijd op het Holcombe Rucker-plein, zei Smith. ‘Het gaf ons de kans ze eens van dichtbij te zien, want geld om naar de wedstrijden van de New York Knicks in Madison Square Garden te gaan had bijna niemand en de lokale gettosterren bleken vaak helemaal niet minder dan de profs. Het was een bevestiging dat mensen uit de hood heus wel iets konden, het enige dat ontbrak was de kans het tegendeel te bewijzen.’

Het waren de glorietijden voor het Rucker-toernooi. Wereldkampioen boksen Sugar Ray Robinson runde even verderop een bar-restaurant en kwam geregeld langs bij de wedstrijden. Honkbalfenomeen Willie Mays woonde op vijf minuten lopen en speelde stickball (honkbal met een bezem) met de jeugd. De zwarte activist Malcolm x is zeker twee keer aanwezig geweest op Rucker Park, net als kopstukken van de radicale beweging Black Panthers for Selfdefense zoals Rap Brown en Stokely Carmichael, de man die in 1966 voor het eerst de term Black Power gebruikte.

Iedereen leek in die naoorlogse jaren wel te basketballen en Holcombe Rucker groeide voor honderden straatjongens uit tot een substituutvader. Zolang er helden bestonden zoals hij zouden ze de moed nooit helemaal verliezen, maar De Engel van Harlem stierf in 1965 op 38-jarige leeftijd aan longkanker en de jonge zwarte journalist Howie Evans van Harlem-krant Amsterdam News schreef nog dezelfde dag een in memoriam met de tekst:

Holcombe Rucker droeg het gewicht van heel Harlem op zijn rug, een Harlem dat zo zwaar was van frustratie dat al onze Adam Clayton Powells (de eerste zwarte Amerikaan in het Congres), James Farmers (een van de belangrijkste zwarte burgerrechtenstrijders) en Malcolm x-en het nauwelijks van de grond konden krijgen. Toch kreeg Holcombe Rucker op een bepaalde manier net zoveel of zelfs meer voor elkaar dan al die andere grootheden bij elkaar in zijn eenmans-queeste om van Harlem een betere buurt te maken. Hij gebruikte het basketbal met groot succes om onze levens te verlichten en wat Holcombe Rucker is begonnen, mag per se niet worden onderbroken.