HomeNieuwsBoekenSchrijversCatalogiPersColumnsLinksContact
 

Twitter Facebook


L.J. Veen E-books
De muur
L.J. Veen Klassiek

 
Fragment uit 'Marokko voor beginners
Kees Beekmans

Ik zeg tegen mijn leerlingen dat ik ontslag heb genomen, dat ik een jaar in Marokko ga wonen. In Marokko? Er is niemand die dat gelooft. Waarom zou iemand daar willen wonen? Pas als ik het een dag later herhaal, jongens, jullie weten dat ik over drie weken weg ben hè, dat ik naar Marokko ga - pas dan beginnen de eerste leerlingen zich af te vragen of ik het misschien meen.

Ik sta voor een derde klas van een groot en vooral ‘zwart’ vmbo in Amsterdam-West: de leerlingen zijn van Marokkaanse, Turkse, Surinaamse of Antilliaanse afkomst. Het nieuwe schooljaar is nog maar drie weken geleden begonnen, en nu al kondig ik aan dat ik wegga. Ik weet: ze vinden dit niet leuk want ik was twee jaar lang hun leraar. Ik weet ook: het zal niet zo heel lang duren eer ze me vergeten zijn. Ik ben niet uitgekeken op de leerlingen zelf, integendeel, het is de school waar ik tabak van heb, de wanorganisatie, het gebrek aan alles, vooral aan visie, de onmogelijkheid hier goed les te geven.

‘U gaat echt in Marokko wonen meester?’ vraagt de veertienjarige Metin, een Turk met blauwe ogen, die vlak voor mij zit. Vooral het afgelopen jaar is er tussen ons een band ontstaan. Als brugklasser was Metin een wat teruggetrokken jongen, je hoorde hem maar zelden, misschien ook omdat hij nog maar een paar jaar in Nederland was en nog moeite had met de taal. In de tweede klas groeide Metin bijna zienderogen en nam ook zijn zelfvertrouwen toe. Nu, als derdeklasser, laat hij zich door andere leerlingen niets meer zeggen, reageert altijd onmiddellijk: ‘Wat lieg je Turk! Wat praat je over mij!’ Bij dat soort gelegenheden noemt de Turkse Metin andere leerlingen steevast Turk, ongeacht waar ze vandaan komen, of het nu blakka’s (Surinamers of Antillianen) of mokro’s (Marokkanen) zijn. Misschien dat hij een tata (Nederlander) niet zo zou noemen, dat weet ik niet, die zitten nauwelijks bij ons op school. Misschien betekent ‘Turk’ voor Metin gewoon allochtoon.

‘U moet niet naar Marokko gaan meester, u moet in Turkije gaan wonen. U bent daar geweest toch! U weet toch hoe mooi het daar is? Waarom gaat u niet in Turkije wonen meester?’ Zelf heb ik er nog niet eens bij stilgestaan dat ik de Turkse leerlingen wel eens zou kunnen teleurstellen met mijn besluit in Marokko te gaan wonen.

‘Maar ik wil graag Arabisch leren Metin, dat kan niet in Turkije...’

Al is het waar, het klinkt zwak, en misschien voelt Metin dat ook. Hij blijft proberen mij over te halen, dat ik veel beter Turks kan leren, dat ik daar meer aan heb, Turkije gaat toch een Europees land worden! Bovendien, in Marokko zal ik het toch niet lang volhouden, die mokro’s zullen mij zeker parra maken, ik ken de mokro’s toch.

Ik vermoed dat parra van paranoïde is afgeleid, voor mijn leerlingen is het een heel gewoon woord, het betekent ‘gek’ in de zin van: ik word gek van je gezeur. Ja, ik ken de mokro’s inmiddels wel, ik heb er in de loop der jaren honderden in de klas gehad. Er waren erbij die mij zo af en toe parra maakten maar de meesten heb ik altijd leuk gevonden. Zelfs de jongens aan wie in één oogopslag te zien was dat ze niet deugden bleken voor mij in de klas aardige jongens. Daarbuiten, tegen anderen die ze niet kenden, waren ze vermoedelijk minder aardig. Ik probeer Metin uit te leggen dat ook dat voor mij een reden is om naar Marokko te gaan: ‘We hebben hier in Nederland minder problemen met Turken dan met Marokkanen. Het kan geen kwaad meer over ze te weten te komen.’

De Marokkaanse Abdel komt erbij staan. Abdel is veertien, een jongen met een leuk gezicht maar met een kapsel zo verschrikkelijk ordinair, hoe kan ie het zichzelf aandoen. Als brug- en tweedeklasser liet hij zijn haar kort knippen, en dat stond hem goed, maar tegenwoordig laat hij het alleen nog aan de zijkanten van zijn hoofd wegscheren. Het is zo’n jongen die zich op straat in gezelschap van vrienden geregeld misdraagt, een jongen zonder vader, een jongen ook die als ik hem zou zeggen dat ik graag een i-pod wilde kopen, onmiddellijk zou antwoorden dat hij er een voor mij zou hosselen, versieren: ‘morgen heb ik hem voor u meester’. Hij zou hem morgen dan ook hebben, misschien een nieuwe, misschien een tweedehands, sowieso scherp geprijsd.

Abdel heeft wel flair, hij is het type van de player, koestert althans dat imago. Hij hangt half op mijn bureau, ongeveer zoals een diva op een piano, en zegt laconiek: ‘Je gaat je vervelen meester, wat ga je daar doen? Marokko is kapot saai.’

Abdel is geboren in Amsterdam maar zijn familie komt uit Tetouan, niet ver van Tanger, de zomervakanties brengt hij daar door. De eerste twee, drie weken is dat leuk, zegt hij, iedere dag naar het strand, ’s avonds met vrienden rondlopen in de stad, maar na de derde week wordt het eentonig en wil hij er weg.

‘Dan wil je weer terug naar Nederland?’

‘Wat moet ik daar langer meester. Tetouan is droog. Amsterdam is beter.’

Tetouan, ja heel Marokko, is droog, saai. Voor Abdel. Andere Marokkaanse jongens, uit een andere derde klas, reageren anders, hoewel ook zij aanvankelijk nauwelijks kunnen geloven dat ik werkelijk naar Marokko ga. De eerste die van zijn verbazing bijkomt is Hamid, een nog niet zo grote maar wel dikke jongen die verschrikkelijk driftig kan worden, onhandelbaar, maar in gewonen doen erg aanhankelijk is. Hamid komt bij mijn tafel staan en legt een hand op mijn schouder, hij raakt mij altijd aan als wij met elkaar praten. Hij zegt dat ik naar Tinerir moet gaan, dat daar hele mooie hotels zijn. Hamids ouders komen uit Tinerir, hij heeft er vele zomervakanties doorgebracht.

‘Tinerir,’ zeg ik, ‘dat is toch bij Ouarzazate?’

Faouzi hoort mij Ouarzazate zeggen. De nog kleine Faouzi is donkerder dan de Rif-Marokkanen, hij komt uit Ouarzazate. Daarmee is hij in de ogen van de Riffijnen een Sousi, het negroïde type Marokkaan dat zij graag discrimineren. Ik hoef niet eens naar Marokko om te weten dat deze wet daar geldt: hoe zwarter, hoe lager je status - omdat ik de afgelopen tien jaar in de klas al in Marokko was, zoals ik tegelijkertijd in Turkije, in Suriname, op de Antillen, in Ghana en in Bosnië was.

Faouzi: ‘U kent Ouarzazate meester?’

Ik weet waar Ouarzazate ligt want ik was er vijftien jaar geleden, als toerist. ‘Daar heb je toch die gorge, hoe heet-ie ook alweer?’

‘Ja de gorge meester, Ouarzazate is heel mooi, u gaat daarnaartoe?’

Hoewel hij vanwege zijn grappen over seks in de klas een prominente rol speelt en voor niemand onderdoet, is Faouzi nu voorzichtig, niet iedereen hoeft te horen dat hij het over Ouarzazate heeft, hij zou er maar om uitgelachen worden.

Maar Hamid die nog altijd naast mij staat, zijn hand op mijn schouder, laat zich Tinerir niet zomaar afnemen. ‘Tinerir is beter meester, weet u hoe mooi die hotels daar zijn... Echt, u moet daar gaan meester.’

‘Wat praat jij jongen,’ zegt Faouzi fel, ‘wat is Tinerir? Tinerir is niks jongen, ga met je bla, ga dzjompe.’

‘Wat dis je mij jongen, ga met je bledder-’

‘Ik praat niet met jou jongen, ga loezoe...’

Ruzie vlamt in deze klas snel op, en voordat het te ver gaat wijs ik de jongens hun plaats: zitten allebei, nu. Sallah, aan een tafeltje bij het raam, wil weten of ik met de auto naar Marokko ga. Sallah is een lange, dunne jongen, een stoker die veel onrust kan veroorzaken. Toch heeft hij ook iets droevigs in zijn blik. ‘Je boekt met de waggie naar Marokko meester?’

Ik knik.

‘Echt meester je gaat niet met de vliegtuig?’

‘Nee.’

‘Je gaat echt met die blauwe Opel?’ Sallah slaat zich op de knieën van plezier, ietwat overdreven als altijd, maar ook andere leerlingen vinden dit grappig, met mijn al te blauwe Opel Astra heb ik bij deze jongens nooit veel prestige kunnen verwerven. Plotseling zegt Sallah, weer ernstig nu: ‘Je moet je auto goed dichtdoen meester, ze pakken alles eruit.’

‘Ze nakken alles van je meester, ze gaan je beroven,’ bevestigt Faouzi, die schuin achter Sallah is gaan zitten.

‘U gaat alleen?’ vraagt Sallah zacht.

Ik kijk Sallah aan en knik. Sallah draait zich om naar Faouzi: ‘Hij durft gewoon alleen te gaan naar Marokko!’ Dan weer tegen mij: ‘Je moet oppassen voor de politie meester, ze gaan je flesjen, ze willen je doekoe.’ Terwijl hij zich weer half omdraait naar Faouzi, zodat ook die het goed hoort, voegt hij er nog aan toe, echt Sallah: ‘Je moet tegen ze zeggen zebbi meester, zeg zebbi tegen ze als ze je boren.’

Ik ken de taal van deze jongens zo langzaamaan wel. Doekoe is geld, boren is iemand flesjen en zebbi betekent ‘mijn lul’. Zebbi is geen straattaal als dat doekoe of boren maar Marokkaans-Arabisch. Dat Sallah mij nu aanraadt ‘mijn lul’ tegen een politieman te zeggen vinden alle jongens weer erg grappig, alsof ze de reactie van de Marokkaanse politie, die zich ongetwijfeld niks laat zeggen, al voor zich zien. Als altijd bewandelt Faouzi de door Sallah ingeslagen weg graag verder, want dit – seks - is zijn terrein. Maar voor wat hij te zeggen heeft, moet hij naar mij toe komen, dat kan niet vanuit de klas. Aan de grijns op zijn gezicht en aan het feit dat hij zich kleiner lijkt te maken, alsof ik zo minder aanstoot aan zijn woorden zal nemen, voelt iedereen al waar het heengaat, ze kennen de lichaamstaal van Faouzi, en ik ook.

‘Die hoertjes daar zijn goedkoop meester, drie euro.’

Terwijl ze lachen en zich weer op de knieën slaan, al die veertien-, vijftienjarige jongens, houden ze mij in de gaten, wat zal nu mijn reactie zijn? Faouzi lacht ook, als om zijn eigen woorden onschadelijk te maken.

‘Ik dacht dat jij een goeie moslim was Faouzi.’

‘Hee meester...’ Met open handen spreidt Faouzi zijn armen als om te zeggen: het is maar een grapje, waarom noem ik hem een slechte moslim? Om het goed te maken, zegt hij: ‘Marokko is mooi meester, u gaat het daar goed hebben, woellah meester ik zweer het je, je gaat zien.’