Voorproefje uit 'De wrekers' van Nico Verbeek
Nico Verbeek
Een paar jongens van Ramiro’s bende vertellen Andres waar hij de jongen kan vinden. In Bello, een lelijke nieuwbouwgemeente vlak bij Medellín. Op de motor nemen ze hem mee naar het adres. Het is een stille straat, een rijtjeshuis met twee verdiepingen. Andres krijgt de sleutel van de voordeur. Met het lood in de schoenen loopt hij naar de voorkant van het huis, terwijl de andere jongens hun motor al starten en wegrijden. Hij voelt zijn maag samentrekken, gaat straks vast overgeven. Dan haalt hij diep adem en opent de deur. Hij loopt naar een kamer aan het einde van de gang. Daar zit een jongen van een jaar of twintig op de grond, zijn voeten gebonden, zijn handen geketend aan het ijzeren hekwerk van een klein raam. Hij is geblinddoekt en heeft een prop in zijn mond. Zijn gezicht zit vol blauwe plekken en wonden met geronnen bloed. Andres loopt de kamer uit, neemt een stoel mee, gaat in de gang zitten en wacht.
Op zijn veertiende heeft Andres al een jaar of wat rondgehangen in de buurt. De wijk een beetje onveilig gemaakt. Overdag heeft hij zeeën van tijd, hij is een amurao, een ‘muurleuner’, iemand die niets omhanden heeft. De moeder van Andres, een wasvrouw, kon zijn school niet meer betalen, met ook nog een jonger broertje en zusje. Zijn vader kent hij niet, nooit gezien, nooit van gehoord. Andres moest zijn eigen geld zien te verdienen. Televisietoestellen stelen, auto’s openbreken, overvalletjes plegen met zelfgemaakte wapens. Kruimelwerk eigenlijk. Zo leerde hij een paar jongens van de bende van Ramiro kennen, die een goed woordje zouden doen bij de baas. Als je lid was van een bende had je toegang tot het betere leven. Een goed inkomen, een brommer, altijd mooie chicas om je heen, en op een dag misschien wel een eigen auto. Ramiro beloofde dat Andres een kans zou krijgen. Hij zou wel laten weten wanneer hij op examen moest. Para probar finura, zoals de jongens dat noemden. Kijken of hij uit het goede hout was gesneden.
Zoals de meeste bendes was ook die van Ramiro begonnen als een clubje kwajongens uit dezelfde buurt die bij elkaar kwamen om te voetballen. Los Monjes, noemden ze zichzelf, de Monniken, naar de zwarte jacks met capuchon die ze meestal droegen. Ze begonnen met diefstalletjes en eisten ‘tolgeld’ van mensen die de wijk binnenkwamen. De leverancier van de buurtwinkeltjes moest maandelijks een bedrag gaan afstaan, net als de colectivos en de taxi’s. Er werd een revolver gejat, en een jachtgeweer. Van bierblikjes, vuurwerk en spijkers maakten ze voetzoekers. Alles dat straatwaarde had werd gestolen: televisietoestellen, geluidsapparatuur, sieraden. Auto’s werden opengebroken.
Jongens van de bende hingen rond bij scholen om er bazuca te verkopen. De zuivere cocaïne was voor de export, de binnenlandse markt moest het doen met deze inheemse crack. In hun begintijd zaten veel Monjes zelf nog op school. Niet om er iets te leren, maar het was een goede marktplaats. De drugs waren afkomstig van een man, ze kenden zijn naam niet eens, die één keer per week langskwam in zijn dikke Blazer met getinte ruiten en zonder kentekenplaat. De Monjes werden langzaam berucht in Copacabana. Maar veel jongens hadden genoeg in de wijk rondgehangen en wilden hun territorium vergroten. Grotere zaken aanpakken. Ze gingen brommers jatten en wisten via corrupte politieagenten pistolen en mini-uzi’s te bemachtigen.
Andres zit te wachten in de gang, samen met de jongen. Hij wist dat vroeg of laat zijn eerste keer zou komen, maar hij zag zich dan rondrennen met een geweer in zijn hand, dekking zoekend en terugschietend, zoals bij de vuurgevechten in de westernfilms. Dit is wel even anders. Na een eeuwigheid wachten gaat de telefoon. Iemand van Ramiro’s bende, om de opdracht te bevestigen. Andres voelt zich opnieuw onpasselijk worden. Begint te twijfelen. Heeft deze jongen hem iets misdaan? Hij denkt aan Ramiro en zijn vrienden van de bende. Wat zouden die doen als hij onverrichter zake terugkwam? ‘Doe het bij een ander voordat ze het bij jou doen’, dat had hij al vaker gehoord. Wet nummer één van de bendes: eerst kom ik, op de tweede plaats kom ik en daarna kom ik.
De Monjes verlegden hun terrein naar El Poblado, waar ze ’s nachts appartementen leeghaalden van de maffiosi en de drugskoeriers, maar ook van de zogenaamde nette burgers die er woonden en die hun geld op ‘eerlijke’ manier verdienden. Corrupte politici die geld voor ziekenhuizen en scholen in eigen zak staken, omhooggevallen advocaten die ervoor zorgden dat hun grootste cliënten, de drugsbazen, uit de gevangenis bleven. Bankiers die een graantje meepikten van de drugsbonanza door het geld van de capos wit te wassen. De eeuwenoude families met de klinkende namen die de verleiding niet konden weerstaan en een aandeel namen in de lucratieve drugstransporten. In El Poblado had zowel de narco als zijn nette buurman een optrekje, en beiden liepen het risico door bendes als die van de Monjes met een bezoekje te worden vereerd.
Terwijl Andres de kogels in zijn revolver doet, luistert hij naar het geluid van auto’s buiten, van spelende kinderen in de verte. Stopt er een auto voor de deur van het huis? Een politiewagen? Zal de politie aanbellen? Of meteen de deur openbreken en binnenvallen? Dat zou zijn redding zijn. Dan is alles meteen afgelopen. Maar er gebeurt niets. Er volgt een stilte, die eeuwen lijkt te duren. Hij is alleen met de weerloze jongen, en niemand die hem van zijn dilemma verlost.
Eerst zochten de Monjes een chic appartementencomplex of woonerf uit. Terwijl een van de jongens de portier onder schot hield, ging de rest naar boven met de sleutel van het appartement, die de man in zijn angst maar al te graag had afgestaan. Ze haalden de woning leeg, alles van waarde namen ze mee, gingen daarna naar de garage en zochten de beste auto uit. Die gestolen handel werd ingeladen. Ten slotte ging het in volle vaart terug richting Copacabana. Ze gebruikten geen maskers of bivakmutsen, dat was niet nodig. De politie kwam ze echt niet zoeken, in dat soort wijken waagde zich geen enkele gezagsdrager. De portier lieten ze meestal leven, behalve als hij het lef had zich te verzetten.
Het wordt al donker buiten, Andres moet een beslissing nemen. Nu of nooit. Hij loopt doelloos door de kamer, gaat dan weer op de stoel zitten. Hij stelt zich voor hoe hij straks het lijk op een afgelegen plek zal dumpen om daarna het goede nieuws aan de jongens te vertellen. Maar wat zou Ramiro zeggen als hij de jongen in de kamer ernaast zou laten leven? Andres wordt duizelig van al die verschillende gedachten, zijn hoofd lijkt barsten te staan, het lijkt wel of hij gek wordt. Dit moet afgelopen zijn, besluit hij ineens. Hij staat op en resoluut loopt hij de kamer binnen, alsof iemand anders hem voortduwt.
De Monjes versterkten zich, bewapenden zich steeds beter en kregen uiteindelijk contact met de grote jongens van de misdaad. Ze begonnen klusjes op te knappen voor het kartel, dat was pas echt goed verdienen. Meestal waren het gerichte opdrachten, van types die iemand uit de roulatie wilde hebben. Een zakelijke concurrent, een te ijverige politiecommandant, een rechter die niet wilde meewerken aan het ‘regelen’ van een rechtszaak. Maar ook de gewone burgers wisten de sicarios te vinden en ze boden grof geld, bijvoorbeeld om een zakenpartner om zeep te helpen die ze geld schuldig waren, een lastige concurrent of een minnaar. Hoogtijdagen braken aan toen de karteltop een beloning uitloofde voor elke politieagent die om het leven werd gebracht. De Monjes wisten miljoenen pesos te verdienen met de jacht op agenten. En de bende van Ramiro veranderde zo van een groep van chichipatos in een organisatie van professionele sicarios. |