HomeNieuwsBoekenSchrijversCatalogiPersColumnsLinksContact
 

Twitter Facebook


L.J. Veen E-books
De muur
L.J. Veen Klassiek

 
Bij het Boekenweekthema: 'Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan...'
Louis Couperus

Ter gelegenheid van het Boekenweekthema 'De derde leeftijd in de letteren' is een gebonden en geïllustreerde uitgave Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan... verschenen. Speciaal voor de bezoekers van deze site is hier een fragment te lezen.

De diepe basstem van Steyn klonk in de vestibule.

–          Kom Jack, kom hond, kom je meê met den baas! Kom je meê!?

De blijde blaf van den terrier galmde op, en nêêr over de trap stormde zijn uitbundige vaart, als struikelde hij over zijn eigen poten.

–          O, die stem van Steyn! siste mama Ottilie tusschen hare tanden, en zij sloeg driftig bladen om van haar boek.

Charles Pauws zag haar rustig aan, met zijn glimlachje, zijn lach om mama. Hij zat, vóór hij naar Elly zoû gaan, na den eten bij zijn moeder en hij dronk zijn kopje koffie. Steyn ging met Jack uit; de avondstilte effende zich door het kleine huis, en in de zitkamer, onpersoonlijk en ongezellig, suisde het gas. Charles Pauws keek naar de punten van zijn bottines, en vond, dat ze goed zaten.

–          Waar is Steyn naar toe? vroeg mama, en hare stem siste, ongerust.

–          Gaan wandelen met Jack, zei Charles Pauws; thuis noemde men hem Lot; zijn stem klonk zacht en kalmeerend.

–          Naar zijn meid is hij toe! siste mama Ottilie.

Lot had een beweging van moê-zijn.

–          Hè, mama, zeide hij. Wees nu kalm, en denk niet meer aan de scène. Ik ga straks naar Elly, en nu zit ik nog een oogenblikje gezellig bij u, niet waar. Steyn is toch je man... Je moest niet altijd zoo met hem kibbelen, en zulke dingen zeggen, of denken. Je bent weêr net een kleine furie geweest. Dat geeft rimpels, zoo boos te zijn.

–          Ik ben tòch een oude vrouw.

–          Maar je hebt nog een heel zacht velletje...

Mama Ottilie glimlachte en Lot stond op.

–          Kom, zeide hij; geef me een zoen. Wil je niet? Moet ik je een zoen geven? Kleine, booze moesje... En waarom? Om niets. Ik weet het ten minste niet meer, waarom. Ik zoû het niet meer kunnen analyzeeren. Ja, zoo gaat het... Hoe ben ik toch zoo kalm, met zoo een kleine furie van een mama.

–          Als je denkt, dat je vader kalm was...!

Lot lachte, zijn lachje; antwoordde niet. Mevrouw Steyn de Weert las rustiger door; zij zat voor haar boek als een kind. Zij was een vrouw van zestig jaren, maar haar blauwe oogen waren als van een kind, teeder mooi, lief en onschuldig, en haar stem, wat schelletjes, klonk altijd kinderlijk, en had nu geklonken als van een stoùt kind. Kleintjes en recht in haar stoel, las zij nu door, met aandacht, zich kalmeerende, omdat Lot zoo kalm gesproken had en haar zoo lief had een zoen gegeven. Het gas suisde en Lot dronk zijn koffie, en ziende naar zijn bottines, vroeg hij zich af, waarom hij ging trou­wen. Hij vond zich geen man om te trouwen. Hij was nog wel jong, acht-en-dertig; hij zag er zelfs véel jonger uit; hij verdiende geld genoeg met zijn artikels, om, met wat Elly meêkreeg van grootpapa Takma, het er zuinigjes op te wagen, maar hij vond zich toch volstrekt geen type om te trouwen. Zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid, zijn egoïste bewege­lijkheid, die waren hem het liefst; en trouwen, dat was zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw. Hartstochtelijk verliefd was hij niet op Elly – hij vond haar een intelligent en artistiek vrouwtje, om wat zij van grootpapa Takma zoû erven, deed hij het heùsch niet. Waaròm deed hij het dan – vroeg hij zich af, als hij zich reeds had afgevraagd, dag aan dag, gedurende die week, die gevolgd was op zijn aanzoek.

–            Mama... kan jij me ook zeggen... waarom ik Elly gevraagd heb?

Mama Ottilie zag op. Ze was wel gewend aan zonderlinge en geestige vragen van Lot, en dan antwoordde ze hem in dien toon, voor zoo ver zij vermocht, maar deze vraag deed haar een stekel voelen van jaloezie, een stekel, die héel erg pijn deed, als een doorn, fyziek, in vleesch.

–            Waarom je Elly gevraagd hebt? Ik weet het niet... We doen altijd dingen, en weten niet waarom...

Zoo zacht treurigjes klonk hare stem, boudeerend na de stoute-kindstem van zoo even. Had zij niet àlles verloren, wat zij ooit had gehad? Zoû zij Lot niet verliezen, hem moeten afstaan aan Elly... zoo als zij alles had moeten afstaan...

–          U antwoordt zoo ernstig, mama. Dat ben ik niet van u gewoon.

–          Mag ik dan alléen niet eens ernstig zijn...

–            Waarom de laatste dagen, zoo ernstig, en treurig, en prikkelbaar... Is het omdat ik trouwen ga...

–            Misschien is het wel daarom...

–          U houdt toch wel van Elly...

–          Ja wel, ze is lief...

–          We moesten maar samen blijven wonen; Elly houdt ook van u; met Steyn heb ik er over gesproken...

Want zijn stiefvader, zijn twéeden stiefvader noemde Lot Steyn, kort-weg, nadat hij zijn eersten genoemd had, – hij toen een jongen, – ‘meneer’ Trevelley. Mama Ottilie was driemaal getrouwd geweest.

–          Het huis is te klein, vooral als je gauw met een familie begint, zei mama, en toch dacht zij:

–          Blijven wij samen, dan verlies ik Lot niet heelemaal, maar ik zal nooit met een schoondochter overweg kunnen – vooral niet als er kinderen komen.

–          Een familie?

–            Kinderen...

–            Kinderen?

–          Ja... dat komt toch wel voor.

–          De familie heeft al lang genoeg geduurd. Ik denk niet gauw met kinderen te beginnen.

–          En als je vrouw jou niet bij zich heeft, wat heeft ze dan, als ze geen kinderen heeft? Het is waar, jullie zijn beiden zoo knap... Ik ben maar een domme vrouw; mijn kinderen hebben me dikwijls getroost...

–          Als u ze bederven kon...

–          Dat hoef jij me niet te verwijten.

–          Ik verwijt u niets.

–          Samen wonen, Lot, zei mama Ottilie treurigjes, met een opslag van de blauwe kind-oogen, met de vleistem van een kind. Ik zoû wel willen, als Elly wil, en wat gemakkelijk belooft te zijn. Ik zal me heel eenzaam voelen zonder jou. Maar als er bezwaren waren, dan zoû ik eens kunnen gaan naar Engeland. Daar heb ik toch ook mijn twee jongens. En Mary komt dit jaar uit Indië terug.

–          Lot fronste de brauwen, en voelde aan zijn blond haar: het zat heel netjes, met een scheiding.

–          Of ik zoû anders... Ottilie eens in Nice kunnen gaan opzoeken.

–          Neen mama! zei Lot, bijna driftig.

–            Waarom niet? riep mevrouw Steyn de Weert heftiger. Ze is toch mijn kind?

–          Ja... gaf Lot toe, al weêr kalmer. Maar...

–          Wat dan? Ze is toch mijn kind?

–          Maar het is heel onverstandig als u naar Ottilie toe gaat.

–          Al hebben we wel eens gekibbeld...

–          Het is onmogelijk; u kan niet met haar overweg. Als u naar haar toegaat, trouw ik niet. Trouwens, Steyn heeft toch ook meê te praten!

–          Ik hoû zoo van Nice, zei mevrouw Steyn de Weert, en hare kindstem klaagde bijna. De winters zijn er zoo heerlijk... Maar het is misschien wel moeilijk voor me... er heen te gaan... omdat Ottilie zoo doet... Als het kan, woon ik ook liever met jou, Lot. Als Elly maar wil... Misschien een beetje een grooter huis...? Zouden we dat kunnen betalen? Alleen met Steyn blijven doe ik niet. Dat staat vast. Dàt staat vast.

–            Moedertje...

Lots stem klonk vol medelijden. Mama, na haar laatste besliste woorden, had in de blauwe kind-oogen tranen, groote tranen, die vielen niet neêr maar zij gaven een droevigen glans aan haar stouten blik. Met een nerveuzen zucht nam zij haar boek toen op, en zweeg, en deed of zij las. In haar gebaar was iets gerezigneerds en iets koppigs tegelijkertijd, altijd iets van een ondeugend kind. Een bedorven kind, dat deed tòch zachtjes en stilletjes, waar het lust toe had. Lot, kopje in de hand, lachje om den mond, bestudeerde: na zijn medelijden bestudeerde hij mama. Ja, zij moest wel heel mooi zijn geweest; de ooms zeiden altijd, een poppetje. Zij was nu zestig jaren, en zij maakte geen aanspraak meer op verleidelijkheid, maar dat kinderlijk-poppige had zij behouden. Van eene oudere vrouw had zij de rimpels en diepere groeven, maar het vel van voorhoofd en wangen was altijd blank en vlekkeloos zacht, teêrtjes dooraard aan de slapen. Zij was heel grijs geworden, maar daar zij heel blond was geweest en zacht kroezig haar had, was het soms nog of zij blond was gebleven en, bijna kinderlijk, aan de slapen, in den nek kruifden er lokjes, hoe eenvoudig overigens dat haar ook met éene beweging scheen opgewrongen en vastgespeld. Mama Ottilie’s figuur, klein en tenger, was bijna dat van een jonge vrouw gebleven, klein en lief waren hare handen; trouwens een liefheid was in geheel haar wezen en lief vooral waren hare blauwe kind-oogen. Lot, die glimlachend zag naar zijn moeder, vond haar als een vrouw, over wie een bewogen leven, een leven van liefde en van haat, was heengegaan, zonder haar heel hard aan te pakken. Toch, mama had het hare gehad, met hare drie mannen, die zij, alle drie, had liefgehad, die zij nù, alle drie, haatte. Coquet was zij zeker geweest, maar natuurlijkweg zonder berekening; vrouw van liefde was zij geweest, maar zij had niet anders kùnnen zijn, en behandeld, onbewust koppig tegen alles in, volgens den drang eener natuur van heel heftig bloed. Zuinig was zij nooit geweest, en toch was haar huis nooit gezellig en had zij nooit om toilet veel gegeven, in onbewuste minachting voor elegance en comfort, voelende, dat zij aantrok door zichzelve en niet door wat haar, kunstigjes, omgeven zoû. Mama’s japon was eenvoudig onmogelijk, meende Lot; de eenige gezellige kamer, in huis, was de zijne. Mama, dol op lezen, las heel moderne Fransche romannetjes, die zij niet altijd begreep, trots een leven van liefde, van passie, van haat, onschuldig gebleven in vele dingen, en totaal onwetende in perversie. Dan zag Lot, terwijl zij las, dat zij zich verwonderde en niet begreep en zocht er een naïveteit in hare kinderoogen; zij dorst nooit aan Lot uitlegging vragen...

Lot was opgestaan; hij ging naar Elly dien avond. Hij kuste zijn moeder, met zijn altijd stil geamuzeerde lachje, zijn lachje om mama...

–          Je ging vroeger nooit iederen avond uit, verweet mama, en zij voelde de doorn in het vleesch van haar hart.

–          Ik ben nu verliefd, zei Lot kalm. En geëngageerd. Dan moet je toch wel naar je meisje. Zal u eens nadenken over mijn vraag: waarom ik eigenlijk Elly gevraagd heb... En het van avond zonder me kunnen stellen?

–          Dat zal ik wel heel veel avonden moeten...